nl-Hoofdstuk 31 - Redding, Verlossing en eeuwig Heil

31-03-2024

De correctie van verkeerde opvattingen over de verlossing

1. Veel mensen waren van mening dat alle tranen van deze wereld veroorzaakt zijn door de zonde van de eerste aardbewoners. In hun onvermogen om de gelijkenis te interpreteren, hebben ze uiteindelijk gezegd dat Christus kwam om met zijn bloed elke smet weg te wassen. Als deze bewering juist zou zijn geweest — waarom zondigen en lijden de mensen dan nog steeds, hoewel dat offer al gebracht is?

2. Jezus kwam naar de aarde om de mensen de weg naar volmaaktheid te leren – een weg die hij met zijn leven, met zijn daden en zijn woorden onderwees. (150, 43-44)

3. Jullie zullen allemaal het doel bereiken door de vervulling van jullie taak. Ik heb jullie daarom mijn leringen, die onuitputtelijk zijn, gegeven, opdat jullie op de ladder van jullie ontwikkeling omhoog klimmen. Niet mijn bloed is het dat jullie redt, maar mijn licht in jullie ziel zal jullie verlossen. (8, 39)

4. In de Derde Tijd zal Mij een nieuw kruis ten deel vallen. Dit zal voor de sterfelijke ogen niet zichtbaar zijn, maar van daarboven zal Ik de mensheid Mijn liefdesboodschap zenden, en Mijn bloed, dat de geestelijke essentie van Mijn Woord is, zal in licht voor de ziel worden omgezet.

5. Zij die Mij destijds veroordeelden, brengen vandaag met hun geest vol berouw het licht naar de harten van de mensen om hun fouten goed te maken.

6. Opdat mijn leer over de slechtheid van de mensen zegeviert, moet zij eerst, zoals Christus, aan de martelpaal worden gegeseld en bespot. Uit elke wond moet mijn licht stromen om de duisternis van deze wereld zonder liefde te verlichten. Het is noodzakelijk dat mijn onzichtbare bloed op de mensheid neervalt om haar opnieuw de weg naar haar verlossing te wijzen. (49, 17-19)

7. Ik zeg jullie nogmaals dat in Mij de hele mensheid zal worden gered. Dat bloed dat op Golgotha is vergoten, is leven voor elke ziel. Maar het is niet het bloed op zich, aangezien het in het stof van de aarde viel, maar de goddelijke liefde die erin wordt gesymboliseerd. Wanneer Ik tot jullie spreek over Mijn bloed, weten jullie nu wat het is en welke betekenis het heeft.

8. Veel mensen hebben hun bloed vergoten in dienst van hun Heer en uit liefde voor hun medemensen, maar dit belichaamde niet de goddelijke liefde, maar slechts de geestelijke, menselijke.

9. Het bloed van Jezus belichaamt echter de goddelijke liefde, want er is geen enkele smet aan. In de Meester was nooit een zonde, en Hij gaf jullie Zijn bloed tot de laatste druppel, om jullie te doen begrijpen dat God alles is voor Zijn schepselen, dat Hij Zich volledig aan hen wijdt, zonder voorbehoud, omdat Hij oneindig veel van hen houdt.

10. Toen het stof van de aarde die vloeistof opnam die in het lichaam van de Meester leven was, gebeurde dat opdat jullie zouden begrijpen dat mijn leer het leven van de mensen vruchtbaar moest maken door de goddelijke bevochtiging met zijn liefde, wijsheid en gerechtigheid.

11. De wereld — ongelovig en sceptisch tegenover de woorden en voorbeelden van de Meester — bestrijdt mijn leer en zegt dat, hoewel Jezus zijn bloed vergiet om de mensen van de zonde te redden, de wereld niet gered is; dat zij dagelijks meer zondigt, hoewel zij ontwikkelder is.

12. Waar blijft de kracht van dat bloed der verlossing, vragen de mensen zich af, terwijl degenen die de werkelijke kern van mijn leer zouden moeten uitdragen, niet in staat zijn de vragen te beantwoorden van hen die hunkeren naar licht en dorsten naar de waarheid.

13. Ik zeg u dat in deze tijd de vragen van hen die niet weten, meer diepgang en inhoud hebben dan de antwoorden en verklaringen van hen die beweren de waarheid te kennen.

14. Maar Ik ben opnieuw gekomen om tot u te spreken, en hier is Mijn woord voor hen die van mening zijn dat dat bloed daadwerkelijk de redding van de zondaars voor de goddelijke gerechtigheid bewerkstelligde — al diegenen die verloren waren en tot zware straf veroordeeld waren.

15. Ik zeg u: als de Vader, die alles weet, had geloofd dat de mensen niet geleidelijk de hele leer zouden gebruiken en begrijpen die Jezus hun in zijn woorden en daden gaf — voorwaar, Hij zou hem nooit hebben gezonden; want de Schepper heeft nooit iets nutteloos gedaan — niets dat niet bestemd is om vruchten te dragen. Maar toen Hij Hem uitzond om onder de mensen geboren te worden, op te groeien, te lijden en te sterven, dan gebeurde dat omdat Hij wist dat dat stralende en vruchtbare leven van de Meester door zijn werken een onuitwisbaar spoor, een onverwoestbaar pad zou uitzetten, zodat al zijn kinderen het pad zouden vinden dat hen naar de ware liefde zou leiden en hen, in het volgen van zijn leer, naar de thuisbasis zou brengen waar hun Schepper hen verwacht.

16. Ook wist Hij dat dat bloed, dat getuigt van zuiverheid, van oneindige liefde en tot de laatste druppel werd vergoten, de mensen zou leren om met geloof in hun Schepper de taak te vervullen die hen zou verheffen tot het Beloofde Land, waar zij Mij de vervulling van hun taak kunnen aanbieden en dan kunnen zeggen: "Heer, alles is volbracht."

17. Nu kan Ik jullie zeggen dat niet het uur waarin mijn bloed aan het kruis werd vergoten, het uur was dat de verlossing van de mensen aankondigde. Mijn bloed bleef hier in de wereld aanwezig, levend, vers, en markeerde met het bloedspoor van mijn Passie de weg naar jullie verzoening, die jullie de thuisplaats zal laten verwerven die jullie Vader jullie heeft beloofd.

18. Ik heb jullie gezegd: "Ik ben de bron van het leven, komt en reinigt jullie van jullie smetten, opdat jullie vrij en heil naar jullie Vader en Schepper gaan."

19. Mijn bron bestaat uit liefde, onuitputtelijk en grenzeloos. Dat is wat mijn destijds vergoten bloed jullie wil zeggen. Het bezegelde mijn woord, het bevestigde mijn leer. (158, 23-33)

20. Vandaag, vele eeuwen verwijderd van die gebeurtenis, zeg Ik jullie dat — hoewel Ik mijn bloed voor de hele mensheid heb vergoten — alleen zij het heil van hun ziel hebben kunnen bereiken die de weg zijn gegaan die Jezus jullie heeft geleerd; terwijl al diegenen die in onwetendheid, in hun fanatisme, in hun dwalingen of in de zonde zijn blijven volharden, nog niet gered zijn.

21. Ik zeg u, zelfs als Ik duizendmaal mens zou worden en duizendmaal aan het kruis zou sterven — zolang de mensen zich niet opheffen om Mij te volgen, zullen zij het heil van hun ziel niet bereiken. Het is niet Mijn kruis dat u zal verlossen, maar het uwe. Ik droeg het mijne op mijn schouders en stierf eraan als mens, en vanaf dat moment was Ik in de schoot van de Vader. Jullie moeten Mij in zachtmoedigheid en in liefde volgen en met oprechte nederigheid jullie kruis op de schouders dragen, totdat jullie het einddoel van jullie missie hebben bereikt, om dan eveneens bij jullie Vader te zijn. (168, 16-17)

22. Er is niemand die het geluk niet zou willen vinden, en hoe blijvender het is, des te beter — want Ik leer jullie een weg die naar de hoogste en eeuwige zaligheid leidt. Toch — Ik wijs jullie alleen de weg, en dan laat Ik jullie die kiezen die jullie het meest aanspreekt.

23. Ik vraag jullie: "Als jullie naar geluk verlangen – waarom zaaien jullie het dan niet, om het daarna te oogsten?" Hoe weinigen zijn er die zich gedreven hebben gevoeld om er voor de mensen te zijn! (169, 37-38)

24. Het beeld dat jullie hebben van wat het leven op aarde betekent, van wat de ziel is en van wat de Geestelijke Wereld is, is verkeerd.

25. De meerderheid van de gelovigen denkt dat, als zij met een zekere rechtschapenheid leven of als zij op het laatste moment van hun leven berouw tonen voor de begaan fouten, de hemel voor hun ziel verzekerd is.

26. Maar deze verkeerde voorstelling, die de mens zeer bevalt, is de reden waarom hij de wet gedurende zijn hele leven niet volhardend naleeft en er zo voor zorgt dat zijn ziel, wanneer zij deze wereld verlaat en in de Geestelijke Wereld komt, moet vaststellen dat zij op een plaats is gekomen waar zij niet de wonderen ziet die zij zich had voorgesteld, noch de hoogste gelukzaligheid voelt waarop zij meende recht te hebben.

27. Weet u wat er gebeurt met die wezens die er zeker van waren dat ze in de hemel zouden komen, en die in plaats daarvan alleen maar verwarring aantroffen? Omdat zij niet langer thuis waren op aarde, omdat hun de steunpunt van hun lichamelijke omhulsel ontbrak, en zij zich ook niet konden verheffen tot die hoogten waar de sferen van het geestelijk licht zich bevinden, schiepen zij voor zichzelf — zonder zich daarvan bewust te zijn — een wereld die noch menselijk, noch diep geestelijk is.

28. Dan beginnen de zielen zich af te vragen: is dit de hemel? Is dit de verblijfplaats die God voor de zielen heeft bestemd, nadat zij zo lang op aarde hebben rondgezworven?

29. Nee – zeggen anderen – dit kan niet de 'schoot van de Heer' zijn, waar alleen licht, liefde en zuiverheid kunnen bestaan.

30. Geleidelijk aan, door nadenken en pijn, komt de ziel tot inzicht. Zij begrijpt de goddelijke gerechtigheid, en, verlicht door het licht van haar geest, beoordeelt zij haar vroegere daden en ontdekt daarbij dat deze armzalig en onvolmaakt waren, dat zij het niet waard waren om te verdienen wat zij had geloofd.

31. Daarna, op grond van deze zelfbeschouwing, komt de nederigheid tot uiting en ontstaat het verlangen om terug te keren naar de wegen die zij achter zich had gelaten, om de smetten uit te wissen, de fouten goed te maken en voor haar Vader werkelijk verdienstelijke daden te verrichten.

32. Het is noodzakelijk de mensheid over deze geheimen te informeren, opdat zij begrijpt dat het leven in de materie een gelegenheid is voor de mens om verdiensten voor zijn ziel te verwerven — verdiensten die haar zullen verheffen, totdat zij het verdient om in een sfeer van hogere vergeestelijking te leven, waar zij opnieuw verdienstelijk moet handelen om niet achter te blijven en om verder van trede tot trede te stijgen; want "in het huis van de Vader zijn vele woningen."

33. Deze verdiensten zult gij door de liefde verwerven, zoals de eeuwige wet van de Vader u heeft geleerd. En zo zal uw ziel op de ladder naar volmaaktheid trede voor trede voortgaan en daarbij de smalle weg leren kennen die naar het Koninkrijk der Hemelen leidt — naar de ware hemel, die de volmaaktheid van de ziel is. (184, 40-45)

34. Voorwaar, Ik zeg u, als Ik in deze tijd als mens was gekomen, zouden uw ogen Mijn wonden nog vers en bloedend hebben moeten zien, omdat de zonde van de mensen niet is opgehouden en zij zich ook niet wilden verlossen ter nagedachtenis aan dat bloed, dat door Mij op Golgotha werd vergoten en dat een bewijs was van Mijn liefde voor de mensheid. Maar Ik ben in de Geest gekomen om jullie de schande te besparen het werk te aanschouwen van hen die Mij op aarde hebben berecht en veroordeeld.

35. Alles is vergeven; maar in elke ziel bestaat iets van wat Ik voor allen aan het kruis heb vergoten. Denk niet dat die levenskracht en dat bloed zijn verdwenen of verloren zijn gegaan. Zij belichaamden het geestelijke leven dat Ik vanaf dat moment over alle mensen uitstortte. Door dat bloed, dat Mijn Woord bezegelde en alles bevestigde wat Ik op aarde had gesproken en gedaan, zullen de mensen zich in het verlangen naar vernieuwing van hun ziel opwaarts ontwikkelen.

36. Mijn Woord, mijn werken en mijn bloed waren niet tevergeefs en zullen dat ook niet zijn. Als het jullie soms zo voorkomt dat men Mijn Naam en Mijn Woord bijna vergeten is, zullen jullie spoedig meemaken hoe zij opnieuw vol levenssap, leven en zuiverheid tevoorschijn komen, als een zaad dat, hoewel het onophoudelijk bestreden wordt, nooit vergaat. (321, 64-66)

37. Het bloed van Jezus, omgezet in het licht van de verlossing, drong als redding door in alle zielen en blijft dit doen. Eeuwig schenkt mijn Geest redding en licht, onophoudelijk laat Ik de stralen van mijn licht binnendringen waar het donker is, onophoudelijk stort mijn Goddelijke Geest zich uit – niet als menselijk bloed, maar als verlossende kracht, als geestelijk leven – over al mijn kinderen. (319, 36)

De "hemel" moet worden veroverd

38. De mensen, meegesleept door de kracht van hun hartstochten, zijn zo diep in hun zonden gezonken dat zij elke hoop op verlossing hebben opgegeven. Maar er is niemand die niet genezen kan worden. Want de ziel — wanneer zij zich ervan heeft overtuigd dat de menselijke stormen niet zullen ophouden zolang zij niet naar de stem van de Geest luistert — zal zich verheffen en mijn wet vervullen, totdat zij het doel van haar bestemming bereikt, dat niet op aarde is, maar in de eeuwigheid.

39. Zij die geloven dat het bestaan zinloos is, en daarbij denken aan de nutteloosheid van de strijd en de pijn, weten niet dat het leven de Meester is die vormt, en de pijn de beitel die vervolmaakt. Denk niet dat Ik de pijn heb geschapen om die u in een kelk aan te reiken — denk niet dat Ik u tot vallen heb aangezet. De mens werd uit eigen beweging ongehoorzaam, en daarom moet hij zich ook door zijn eigen inspanning weer oprichten. Denk ook niet dat alleen de pijn jullie vervolmaakt; nee, ook door liefdevolle daden zullen jullie tot Mij komen, want Ik ben Liefde. (31, 54-55)

40. Bid meer met de geest dan met het lichaam, want om het heil te bereiken volstaat niet een ogenblik van gebed of een dag van liefde, maar er is een leven vol volharding, geduld, edelmoedige daden en het naleven van Mijn geboden voor nodig. Daarvoor heb Ik jullie grote vermogens en inlevingsvermogen gegeven.

41. Mijn werk is als een ark van redding die iedereen uitnodigt om binnen te komen. Iedereen die mijn geboden volgt, zal niet ten onder gaan. Als jullie je door mijn woord laten leiden, zullen jullie gered worden. (123, 30-31)

42. Bedenk dat alleen hetgeen volmaakt is tot Mij komt. Daarom zal jullie ziel pas mijn Rijk binnengaan wanneer zij de volmaaktheid heeft bereikt. Jullie zijn zonder ervaring uit Mij voortgekomen, maar jullie zullen, ge , getooid met het gewaad van jullie verdiensten en deugden, tot Mij moeten terugkeren. (63, 22)

43. Voorwaar, Ik zeg u, de zielen van de rechtvaardigen, die dicht bij God wonen, hebben met hun eigen werken het recht verdiend om die plaats in te nemen — niet omdat Ik die aan hen heb gegeven. Ik heb hun slechts de weg gewezen en hun aan het einde daarvan een hoge beloning getoond.

44. Gezegend zijn zij die tot Mij zeggen: "Heer, Gij zijt de Weg, het Licht dat hem verlicht, en de Kracht voor de reiziger. U bent de stem die de wegwijzer geeft en ons op de levensreis nieuw leven inblaast; en U bent ook de beloning voor degene die het doel bereikt." — Ja, mijn kinderen, Ik ben het leven en de opstanding uit de doden. (63, 74-75)

45. Vandaag vraagt de Vader niet: Wie is in staat en bereid om het menselijk geslacht met zijn bloed te redden? Noch zal Jezus antwoorden: "Heer, ik ben het Lam dat bereid is om met zijn bloed en zijn liefde de weg naar de verzoening van de mensheid te banen."

46. Ook zal Ik Mijn 'Woord' niet zenden om in deze tijd mens te worden. Dit tijdperk is voor jullie voorbij en heeft zijn leer en verheffing in jullie ziel achtergelaten. Nu heb Ik een nieuw tijdperk van geestelijke vooruitgang ingeluid, waarin jullie degenen zullen zijn die verdiensten verwerven. (80, 8-9)

47. Ik wil jullie allen gelukkig zien, in vrede en in het licht verblijvend, opdat jullie geleidelijk aan alles bezitten — niet alleen door mijn liefde, maar ook door jullie verdiensten; want dan zullen jullie voldoening en geluk volmaakt zijn. (245, 34)

48. Ik kwam om jullie de schoonheid te tonen van een hoger leven dan het menselijke, om jullie te inspireren tot hoge werken, om jullie het Woord te leren dat liefde opwekt, om jullie het nooit eerder gekende geluk te beloven dat die ziel te wachten staat die de berg van het offer, het geloof en de liefde heeft weten te beklimmen.

49. Dit alles zult gij in mijn onderricht moeten herkennen, opdat gij eindelijk begrijpt dat het uw goede werken zijn die uw ziel dichter bij de ware gelukzaligheid zullen brengen. (287, 48-49)

50. Als jullie, om van het ene continent op aarde naar het andere te reizen, vele hoge en lage bergen, zeeën, volkeren, steden en landen moeten doorkruisen totdat jullie het doel van jullie reis bereiken, bedenk dan dat jullie, om dat Beloofde Land te bereiken, eveneens een lange reis moeten maken, opdat jullie tijdens die lange reis ervaring, inzicht, ontplooiing en ontwikkeling van de ziel verwerven. Dit zal de vrucht van de levensboom zijn, waarvan jullie uiteindelijk zullen genieten, nadat jullie veel hebben gestreden en gehuild om deze te bereiken. (287, 16)

51. Jullie zijn kinderen van de Vader van het Licht; maar als jullie door jullie zwakheid in de duisternis van een leven vol inspanningen, dwalingen en tranen terecht zijn gekomen, dan zullen deze lijden voorbijgaan, omdat jullie je op Mijn roep zullen verheffen, wanneer Ik jullie roep en jullie zeg: "Hier ben Ik en Ik verlicht jullie wereld en nodig jullie uit om de berg te beklimmen, op wiens top jullie alle vrede, dat geluk en die rijkdom zullen vinden die jullie tevergeefs op aarde wilden vergaren." (308, 5)

52. Elke wereld, elk bestaansniveau is geschapen opdat de ziel zich daarop zou ontwikkelen en een stap naar haar Schepper zou zetten en zo, steeds verder voortgaand op de weg van de vervolmaking, de gelegenheid zou hebben om vlekkeloos, zuiver en welgevormd het doel van haar reis te bereiken, de top van de zielsvolmaaktheid, wat juist het wonen in het Rijk van God is.

53. Wie vindt het onmogelijk om uiteindelijk "in de schoot van God" te wonen? Ach, jullie arme verstandsmensen, die niet echt weten hoe je moet nadenken! Zijn jullie al vergeten dat jullie vanuit Mijn schoot het bestaan zijn binnengegaan, dat wil zeggen dat jullie daarvoor al in Hem bestonden? Er is toch niets vreemds aan dat alles wat uit de Bron van het Leven is voortgekomen, te zijner tijd naar Hem terugkeert.

54. Elke ziel was, toen zij uit Mij het leven betrad, maagdelijk zuiver; maar daarna hebben velen zich op hun weg bezoedeld. Niettemin – aangezien alles door Mij op een wijze, liefdevolle en op gerechtigheid gerichte manier was voorzien, ben Ik onmiddellijk overgegaan tot het verschaffen van alle noodzakelijke middelen voor hun redding en vernieuwing op de weg die mijn kinderen moesten afleggen.

55. Ook al is die zielsmaagdelijkheid door vele wezens geschonden, de dag zal komen waarop zij zich van al hun overtredingen zullen zuiveren en daardoor hun oorspronkelijke zuiverheid zullen herwinnen. De zuivering zal in Mijn ogen zeer verdienstelijk zijn, want de ziel zal deze hebben verworven door grote en voortdurende beproevingen van haar geloof, haar liefde, haar trouw en haar geduld.

56. Jullie zullen allen via de weg van het werk, de strijd en de pijn terugkeren naar het Rijk van het Licht, waar jullie het niet langer nodig zullen hebben om in een menselijk lichaam te incarneren, noch in een wereld van materie te leven, want dan zal jullie geestelijke werkingsvermogen jullie reeds in staat stellen om jullie invloed en jullie licht van het ene bestaansniveau naar het andere te zenden en voelbaar te maken. (313, 21-24)

De machtigste kracht tot verlossing

57. Zie, hier is de weg, bewandel deze en jullie zullen jezelf redden. Voorwaar, Ik zeg jullie, het is niet nodig Mij in deze tijd gehoord te hebben om het heil te verkrijgen. Ieder die in het leven Mijn Goddelijke Wet van Liefde in praktijk brengt en die door de Schepper geïnspireerde liefde omzet in naastenliefde, is gered. Hij getuigt van Mij in zijn leven en in zijn werken. (63, 49)

58. Als de zon levenslicht uitstraalt over de hele natuur en over alle wezens, en als ook de sterren licht op de aarde uitstralen — waarom zou dan de Goddelijke Geest geen licht op de ziel van de mens uitstralen?

59. Nu zeg Ik jullie: mensen, ga in jezelf, laat het licht van de gerechtigheid, dat zijn oorsprong vindt in de liefde, zich over de wereld verspreiden. Laat je door mijn waarheid ervan overtuigen dat jullie zonder echte liefde het heil van jullie zielen niet zullen bereiken. (89, 34-35)

60. Mijn Licht is voor al mijn kinderen; niet alleen voor jullie, die deze wereld bewonen, maar voor alle zielen die op verschillende bestaansniveaus leven. Zij zullen allen bevrijd zijn en tot het eeuwige leven zijn opgewekt, wanneer zij met hun werken van liefde jegens hun broeders en zusters mijn goddelijke gebod vervullen, dat van jullie verlangt dat jullie elkaar liefhebben. (65, 22)

61. Geliefd volk, dit is de "Derde Dag", waarop Ik mijn Woord onder de "doden" tot nieuw leven wek. Dit is de "Derde Tijd", waarin Ik op geestelijke wijze voor de wereld verschijn om haar te zeggen: "Hier is dezelfde Christus die jullie aan het kruis zagen sterven, en Hij spreekt op dit moment tot jullie, want Hij leeft en zal leven en zal altijd zijn."

62. Daarentegen zie Ik dat de mensen een hart in hun lichaam hebben dat dood is wat betreft geloof, liefde en licht, hoewel zij in hun religieuze gemeenschappen beweren de waarheid te verkondigen. Zij menen dat zij hun zielenheil hebben verzekerd wanneer zij in hun kerken bidden en aan hun rituelen deelnemen. Maar Ik zeg jullie: de wereld moet leren dat het heil van de ziel alleen wordt verkregen door het verrichten van werken van liefde en barmhartigheid.

63. De gebedshuizen zijn slechts een school. De kerken moeten zich niet beperken tot het uitleggen van de wet, maar zij moeten ervoor zorgen dat de wereld begrijpt dat het leven een weg is waarop men datgene wat men van de Goddelijke Wet heeft geleerd, in praktijk moet brengen door mijn leer van de liefde te beoefenen. (152, 50-52)

64. Christus werd mens om de Goddelijke Liefde aan de wereld te openbaren. Maar de mensen hebben harde harten en een betweterig verstand; zij vergeten een ontvangen leer snel en interpreteren deze verkeerd. Ik wist dat de mensen geleidelijk aan gerechtigheid en liefde zouden verwarren met wraak en straf. Daarom kondigde Ik jullie een tijd aan waarin Ik geestelijk naar de wereld zou terugkeren om de mensen de leringen uit te leggen die zij niet hadden begrepen.

65. Die beloofde tijd is deze waarin jullie leven, en Ik heb jullie Mijn onderricht gegeven, opdat Mijn gerechtigheid en goddelijke wijsheid geopenbaard worden als een volmaakte leer van de verheven Liefde van jullie God. Denken jullie dat Ik gekomen ben omdat Ik vrees dat de mensen uiteindelijk de werken van hun Heer of zelfs het leven zelf zullen vernietigen? Nee, Ik kom alleen uit liefde voor mijn kinderen, die Ik vol licht en vrede wil zien.

66. Is het niet recht en billijk dat ook jullie alleen uit liefde voor Mij komen? Maar niet uit liefde voor uzelf, maar in de liefde voor de Vader en voor uw medemensen. Denkt u dat degene die de zonde alleen uit angst voor de helse kwellingen vermijdt, zich door de goddelijke liefde laat inspireren, of degene die goede werken alleen verricht met het oog op de beloning die hij daarmee kan verkrijgen, namelijk een plaats in de eeuwigheid? Wie zo denkt, kent Mij niet, noch komt hij uit liefde voor Mij. Hij handelt alleen uit liefde voor zichzelf. (164, 35 37)

67. Mijn hele wet is samengevat in twee geboden: de liefde voor God en de liefde voor de naaste. Dit is de weg. (243, 4)

Redding en verlossing voor elke ziel

68. Nu kom Ik niet om lichamelijk doden tot leven te wekken, zoals Ik dat in de "Tweede Tijd" met Lazarus deed. Vandaag komt Mijn Licht om de ziel die Mij toebehoort tot leven te wekken. En deze zal zich door de waarheid van Mijn Woord tot het eeuwige leven verheffen; want jullie ziel is de Lazarus die jullie momenteel in jullie wezen dragen en die Ik uit de dood zal opwekken en genezen. (17, 52)

69. Ook het geestelijk leven wordt door wetten geregeerd, en wanneer jullie je daarvan verwijderen, voelen jullie zeer spoedig de pijnlijke gevolgen van die ongehoorzaamheid.

70. Besef hoe groot Mijn verlangen is om jullie te redden. Vandaag, net als toen, zal Ik het kruis op Mij nemen om jullie tot het Ware Leven te verheffen.

71. Zoals mijn op Golgotha vergoten bloed de harten van de mensen deed beven en hen tot mijn leer bekeerde, zo zal het in deze tijd mijn Goddelijk Licht zijn dat de ziel en het lichaam doet beven, om u terug te brengen op de ware weg.

72. Ik wil dat zij die dood zijn voor het leven van de genade, eeuwig leven. Ik wil niet dat jullie ziel in de duisternis verblijft. (69, 9-10)

73. Besef hoeveel van uw medemensen temidden van hun afgodische bezigheden de komst van de Messias verwachten. Bedenk hoeveel mensen in hun onwetendheid denken dat Ik alleen kom om mijn oordeel te vellen over de slechten, de goeden te redden en de wereld te vernietigen, zonder te weten dat Ik onder de mensen ben als Vader, als Meester, als broeder of vriend, vol liefde en nederigheid, en mijn helpende hand uitstrekt om iedereen te redden, te zegenen en te vergeven. (170, 23)

74. Niemand is bij toeval geboren, en hoe onbeduidend, onbekwaam en armzalig iemand zich ook acht, hij is toch geschapen door de genade van het Allerhoogste Wezen, dat evenveel van hem houdt als van de wezens die hij als superieur beschouwt, en hij heeft een bestemming die hem, net als iedereen, naar de schoot van God zal leiden.

75. Ziet gij die mensen die als verschoppelingen over de straten zwerven en ondeugd en ellende met zich meeslepen, zonder te weten wie zij zijn en waarheen zij gaan? Weten jullie van de mensen die nog steeds in de bossen leven, belaagd door roofdieren? Niemand is door mijn vaderliefde vergeten, allen hebben zij een taak te vervullen, allen bezitten zij de kiem tot ontwikkeling en zijn zij op de weg waarop de verdiensten, de inspanning en de strijd de ziel stap voor stap naar Mij zullen brengen.

76. Waar is er iemand die – al was het maar voor één enkel ogenblik – niet naar Mijn vrede heeft verlangd en zich niet heeft gewenst bevrijd te zijn van het aardse leven? Elke ziel heeft heimwee naar de wereld die zij vroeger bewoonde, naar het huis waarin zij geboren werd. Die wereld wacht op al mijn kinderen en nodigt hen uit om te genieten van het eeuwige leven, waar sommigen naar verlangen, terwijl anderen alleen de dood verwachten om dan op te houden te bestaan, omdat zij een verwarde ziel hebben en zonder hoop en zonder geloof leven. Wat zou deze wezens ertoe kunnen bewegen om voor hun vernieuwing te strijden? Wat zou in hen het verlangen naar eeuwigheid kunnen opwekken? Zij verwachten slechts het niet-meer-zijn, de stilte en het einde.

77. Maar het 'Licht der wereld' is teruggekeerd, 'de Weg en de Waarheid', om jullie door Zijn vergeving tot leven te doen herrijzen, om jullie vermoeide gelaat te strelen, jullie hart te troosten en ervoor te zorgen dat hij die zichzelf niet waardig achtte te bestaan, Mijn stem hoort die hem zegt: Ik heb je lief, kom tot Mij! (80, 54-57)

78. De mens mag vallen en zich in de duisternis storten en zich daardoor ver van Mij voelen; hij mag geloven dat, wanneer hij sterft, alles voor hem ten einde is. Voor Mij daarentegen sterft niemand, niemand gaat verloren.

79. Hoevelen zijn er die in de wereld als verdorven wezens werden beschouwd en die vandaag vol licht zijn! Hoevelen die als spoor de smetten van hun zonden, hun ondeugden en misdaden hebben achtergelaten, hebben reeds hun loutering bereikt! (287, 9-10)

80. Weliswaar bezoedelen velen hun ziel; maar veroordeel hen niet, want zij weten niet wat zij doen. Ook hen zal Ik redden, ondanks het feit dat zij Mij momenteel zijn vergeten, of Mij hebben vervangen door de valse goden die zij op de wereld hebben geschapen. Ook hen zal Ik in Mijn Koninkrijk brengen, zelfs als zij nu – omdat zij de valse profeten volgen – de goedhartige Christus zijn vergeten, die Zijn leven voor hen heeft gegeven om hen Zijn leer van de liefde bij te brengen.

81. Voor de Vader is niemand 'slecht', niemand kan dat zijn, aangezien zijn oorsprong in Mij ligt. Dwalenden, blinden, gewelddadigen, rebellen — zo zijn velen van mijn kinderen geworden vanwege hun vrije wil, waarmee zij zijn begiftigd. Maar in allen zal het licht worden, en mijn barmhartigheid zal hen leiden op de weg naar hun verlossing. (54, 45-46)

82. Jullie zijn allemaal mijn zaad, en de Meester oogst het. Als er onder het goede zaad onkruidzaad terechtkomt, neem Ik ook dat liefdevol in mijn handen om het in gouden tarwe te veranderen.

83. Ik zie in de harten het zaad van het onkruid, van het moeras, van de misdaad, van de haat, en toch oogst en bemin Ik jullie. Ik koester en reinig dit zaad, totdat het als tarwe in de zon glanst.

84. Denken jullie dat de kracht van mijn liefde niet in staat is jullie te verlossen? Nadat Ik jullie heb gereinigd, zal Ik jullie in mijn tuin zaaien, waar jullie nieuwe bloemen en nieuwe vruchten zullen dragen. Het behoort tot mijn goddelijke taak jullie mij waardig te maken. (256, 19-21)

85. Hoe zou een ziel voor Mij onherstelbaar verloren kunnen gaan, terwijl zij toch een vonk van Mijn licht in zich draagt, die nooit dooft, en Ik op alle wegen bij haar ben? Hoe lang ook haar opstandigheid mag voortduren of haar verwarring aanhouden — nooit zullen deze duistere krachten Mijn eeuwigheid weerstaan. (255, 60)

86. Voor Mij is het even verdienstelijk wanneer een wezen dat bezoedeld is met de sporen van de zwaarste overtredingen, geïnspireerd door een hoog ideaal, zich zuivert, als wanneer een wezen dat standvastig zuiver is gebleven, tot het einde toe worstelt om zich niet te bezoedelen, omdat het vanaf het begin het licht heeft liefgehad.

87. Hoe ver van de waarheid wandelen zij die menen dat de verwarde geesten een andere aard hebben dan de geesten van het licht!

88. De Vader zou onrechtvaardig zijn als dit waar was, net zoals Hij niet langer de Almachtige zou zijn als het Hem aan wijsheid en liefde ontbrak om de bezoedelden, de onreinen, de onvolmaakten te redden, en Hij hen niet met alle rechtvaardigen in één en dezelfde thuis zou kunnen verenigen. (295, 15-17)

89. Voorwaar, Ik zeg u, zelfs die wezens die u verzoekers of demonen noemt, zijn slechts verwarde of onvolmaakte wezens, waarvan de Vader zich wijselijk bedient om Zijn hoge besluiten en plannen uit te voeren.

90. Maar deze wezens, wier zielen vandaag door duisternis zijn omhuld en van wie velen slecht gebruik hebben gemaakt van de vermogens die Ik hun heb geschonken, zullen — wanneer de tijd daarvoor voor hen is gekomen — door Mij worden gered.

91. Want het moment zal komen, o Israël, dat alle schepselen van de Heer Mij eeuwig zullen loven. Ik zou geen God meer zijn, als Ik met Mijn macht, Mijn wijsheid en Mijn liefde geen enkele ziel zou kunnen redden. (302, 31)

92. Wanneer hebben ouders op aarde ooit alleen de goede kinderen liefgehad en de slechte verafschuwd? Hoe vaak heb Ik gezien dat zij juist het meest liefdevol en zorgzaam waren tegenover degenen die hen het meest pijn deden en lieten lijden! Hoe zou het mogelijk zijn dat jullie grotere werken van liefde en vergeving zouden kunnen verrichten dan de mijne? Wanneer heeft men ooit meegemaakt dat de Meester van de discipelen moet leren?

93. Weet dus dat Ik niemand van jullie onwaardig acht en dat de weg naar de verlossing jullie daarom eeuwig uitnodigt om die te bewandelen, net zoals de poorten van mijn Rijk, die het Licht, de Vrede en het Goede zijn, voor altijd openstaan in afwachting van de komst van hen die ver van de Wet en de Waarheid stonden. (356, 18-19)

De schitterende toekomst van de kinderen van God

94. Ik zal niet toestaan dat ook maar één van mijn kinderen de weg kwijtraakt of zelfs verloren gaat. Ik verander de parasitaire planten in vruchtdragende, want alle schepselen zijn in het bestaan geroepen om een doel van volmaaktheid te bereiken.

95. Ik wil dat jullie samen met Mij vreugde vinden in Mijn werk. Reeds eerder heb Ik jullie deelgenoot gemaakt van Mijn eigenschappen, omdat jullie een deel van Mij zijn. Aangezien alles Mij toebehoort, maak Ik ook jullie tot eigenaars van Mijn werk. (9, 17-18)

96. Twijfel niet aan Mijn woord. In de "Eerste Tijd" vervulde Ik mijn belofte aan jullie om Israël te bevrijden uit de slavernij van Egypte — wat afgoderij en duisternis betekende — om jullie naar Kanaän te leiden, het land van vrijheid en de verering van de levende God. Daar werd jullie mijn komst als mens aangekondigd, en de profetie werd woord voor woord in Christus vervuld.

97. Ik, die Meester die in Jezus woonde en jullie in Hem liefhad, beloofde de wereld dat Ik in een andere tijd tot haar zou spreken en Mij in de Geest zou openbaren. En hier is de vervulling van Mijn belofte.

98. Vandaag kondig Ik jullie aan dat Ik voor jullie ziel wonderbaarlijke gebieden, verblijfplaatsen, geestelijke thuisplaatsen heb gereserveerd, waar jullie de ware vrijheid kunnen vinden om lief te hebben, het goede te doen en mijn licht te verspreiden. Kunnen jullie daar aan twijfelen, nadat Ik mijn eerdere beloften aan jullie heb vervuld? (138, 10-11)

99. Het is Mijn goddelijke verlangen om jullie te redden en jullie te leiden naar een wereld van licht, schoonheid en liefde, waar jullie vreugdevol zult trillen dankzij de verheffing van de ziel, de edelmoedigheid van de gevoelens en het ideaal van volmaaktheid. Maar herkennen jullie in dit goddelijke verlangen niet Mijn vaderlijke liefde? Ongetwijfeld moet degene die dit niet zo begrijpt, blind zijn. (181, 13)

100. Bedenk: alle schoonheid van deze wereld is voorbestemd om te verdwijnen, om op een gegeven moment plaats te maken voor iets anders. Maar jullie ziel zal eeuwig blijven leven en de Vader in al Zijn heerlijkheid aanschouwen — de Eeuwig e Vader, uit wiens schoot jullie voortkomen. Al het geschapene moet terugkeren naar de plaats waar het vandaan is gekomen. (147, 9)

101. Ik ben het eeuwige Licht, de eeuwige Vrede en de eeuwige Gelukzaligheid, en aangezien jullie mijn kinderen zijn, is het mijn wil en mijn plicht om jullie deelgenoten te maken van mijn heerlijkheid, en daarom leer Ik jullie de Wet als de Weg die de ziel naar de hoogten van dat Rijk leidt. (263, 36)

102. Wees u er altijd van bewust dat de ziel die de hoge graden van goedheid, wijsheid, zuiverheid en liefde bereikt, boven de tijd, de pijn en de afstanden staat. Zij is niet beperkt tot het verblijven op één plaats, zij kan overal zijn en kan overal een hoogste vreugde vinden in het bestaan, het voelen, het weten, het liefhebben en het zich geliefd weten. Dit is de hemel van de ziel. (146, 70-71)