nl-Hoofdstuk 52 - Onrechtvaardigheid en verval van de mensheid

De onderwerping en uitbuiting van de zwakken door de sterken
1. Als de mensen zouden inzien dat de aarde voor iedereen is geschapen, en als zij de materiële en geestelijke schatten, waarmee hun bestaan is bezaaid, op rechtvaardige wijze met hun medemensen zouden weten te delen — voorwaar, Ik zeg u, dan zouden jullie hier op aarde al de vrede van het Geestelijke Rijk beginnen te voelen. (12, 71)
2. Geloven jullie niet dat de verdeling van de mensheid in volkeren en rassen iets primitiefs is? Denken jullie er niet over na dat, als de vooruitgang in jullie beschaving, waarop jullie zo trots zijn, werkelijk zou zijn, niet langer de wet van geweld en boosaardigheid zou heersen, maar dat alle handelingen van jullie leven zouden worden geregeerd door de wet van het geweten? — En jij, volk, sluit jezelf niet uit van dit oordeel, want ook onder jullie ontdek Ik strijd en verdeeldheid. (24, 73)
3. Denk aan het voorbeeld van Israël, zoals de geschiedenisboeken beschrijven, toen het lange tijd door de woestijn moest zwerven. Het streed om te ontsnappen aan de slavernij en de afgoderij in Egypte, maar ook om een land van vrede en vrijheid te bereiken.
4. Vandaag de dag lijkt de hele mensheid op dat volk in de gevangenschap van de farao. Men dwingt de mensen geloofsbelijdenissen, doctrines en wetten op. Het grootste deel van de naties is slaaf van anderen, die sterker zijn. Een harde strijd om te overleven en dwangarbeid onder de zweepslagen van honger en vernedering zijn het bittere brood dat vandaag de dag een groot deel van de mensheid eet.
5. Dit alles zorgt er steeds meer voor dat er in de harten van de mensen een verlangen ontstaat naar bevrijding, naar vrede, naar een beter leven. (115, 41-43)
6. Deze wereld, die het thuis zou moeten zijn van één enkele familie die de hele mensheid omvat, is een twistappel en aanleiding tot zinloos machtsstreven, verraad en oorlog. Dit leven, dat zou moeten worden gebruikt voor studie, voor geestelijke contemplatie en voor het streven naar het eeuwige leven door de beproevingen en lessen ten behoeve van de ziel te benutten, wordt door de mens verkeerd opgevat, zodat hij zijn hart laat vergiftigen door wrok, verbittering, materialisme en ontevredenheid. (116, 53)
7. Jullie arme volkeren van de aarde — de enen tot slaaf gemaakt, de anderen onderdrukt en de rest uitgebuit door hun eigen leiders en vertegenwoordigers!
8. Jullie hart houdt niet meer van degenen die jullie op aarde regeren, omdat jullie vertrouwen is beschaamd. Jullie hebben geen vertrouwen meer in de gerechtigheid of grootmoedigheid van jullie rechters, jullie geloven niet meer in beloften, in woorden of in glimlachende gezichten. Jullie hebben ervaren dat de huichelarij bezit heeft genomen van de harten en op aarde haar rijk van leugens, onwaarheden en bedrog heeft opgericht.
9. Arme volkeren, die jullie de ontberingen als een ondraaglijke last op jullie schouders dragen — die ontberingen die niet langer die gezegende wet zijn waardoor de mens alles ontving wat nodig was voor zijn levensonderhoud, maar die zijn veranderd in een wanhopige en door angst vervulde strijd om te overleven. En wat krijgen de mensen ervoor terug dat zij hun kracht en hun leven opofferen? Een inhoudsloos stuk brood, een beker vol bitterheid.
10. Voorwaar, Ik zeg u, dit is niet het levensonderhoud dat Ik ter aarde heb gelegd tot uw vreugde en behoud, dit is het brood van onenigheid, van ijdelheden, van onmenselijke gevoelens — kortom het bewijs van het gebrek aan of het ontbreken van geestelijke rijpheid bij hen die uw menselijk leven bepalen.
11. Ik zie dat jullie elkaar het brood ontnemen, dat degenen die naar macht streven het niet kunnen verdragen dat de anderen iets bezitten, omdat zij alles voor zichzelf willen; dat de sterken zich het brood van de zwakken toe-eigenen en dat deze zich ermee moeten tevredenstellen de machtigen te zien eten en genieten.
12. Nu vraag Ik jullie: waaruit bestaat de morele vooruitgang van deze mensheid? Waar blijft de ontplooiing van haar edelste gevoelens?
13. Voorwaar, Ik zeg u, in het tijdperk waarin de mens in grotten leefde en zich met huiden bedekte, rukte hij eveneens het voedsel uit elkaars mond, namen de sterksten eveneens het grootste deel, was de zwoeging van de zwakken ook ten gunste van hen die hen met geweld onderwierpen, doodden de mensen, de stammen en de volkeren elkaar eveneens.
14. Waarin bestaat dan het verschil tussen de mensheid van vandaag en de mensheid van die dagen?
15. Ja, Ik weet al dat jullie Mij zullen zeggen dat jullie veel vooruitgang hebben geboekt — Ik weet dat jullie Mij zullen verwijzen naar jullie beschaving en jullie wetenschap. Maar dan zal Ik jullie zeggen dat dit alles slechts het masker van de huichelarij is, waarachter jullie jullie ware gevoelens en jullie nog steeds primitieve instincten verbergen, omdat jullie je niet in het minst hebben ingespannen voor de ontplooiing van jullie ziel, voor de vervulling van Mijn wet.
16. Ik zeg jullie niet dat jullie geen wetenschappelijk onderzoek moeten doen — nee, integendeel: Zoek, onderzoek, groei en verrijk jullie kennis en intelligentie in het materiële leven, maar wees barmhartig tegenover elkaar, respecteer de heilige rechten van jullie naasten, begrijp dat er geen wet bestaat die de mens het recht geeft om over het leven van zijn medemensen te beschikken — kortom, mensen, doe iets om mijn hoogste gebod van "Hebt elkaar lief" op jullie leven toe te passen, zodat jullie ontsnappen aan de morele en geestelijke stilstand waarin jullie terecht zijn gekomen, en zodat, wanneer de sluier van leugens die jullie gezicht bedekte wegvalt, jullie licht doordringt, de oprechtheid straalt en de waarachtigheid in jullie leven zijn intrede doet. Dan kunt u met recht zeggen dat u vooruitgang hebt geboekt.
17. Wordt geestelijk sterk in het naleven van Mijn onderrichtingen, opdat jullie woorden in de toekomst altijd bevestigd worden door werkelijke daden van barmhartigheid, wijsheid en broederschap. (325, 10-20)
18. Ik zend u mijn vrede; maar voorwaar, Ik zeg u: zolang er mensen zijn die alles bezitten wat nodig is en degenen vergeten die van honger sterven, zal er geen vrede op aarde zijn.
19. Vrede is niet gegrondvest op menselijke glorie, noch op rijkdom. Zij is gegrondvest op goede wil, op wederzijdse liefde — op het elkaar dienen en respecteren. Ach, als de wereld deze aanwijzingen toch zou begrijpen! De vijandschappen zouden verdwijnen en in het menselijk hart zou de liefde opbloeien. (165, 71-72)
De verdorvenheid van de mensheid
20. De mensheid lijdt schipbreuk te midden van een storm van zonden en ondeugden. Niet alleen de mens, wanneer hij volwassen wordt, bezoedelt zijn ziel door de ontwikkeling van zijn hartstochten toe te laten; ook het kind ervaart in zijn kinderjaren het kapseizen van de boot waarin het vaart.
21. Mijn Woord vol openbaringen rijst te midden van deze mensheid op als een reusachtige vuurtoren, die de schipbreukelingen de ware route wijst en de hoop doet herleven bij hen die op het punt stonden het geloof te verliezen. (62, 44)
22. Tegelijk met de toename van de mensheid is ook haar zonde toegenomen. Het ontbreekt de wereld niet aan steden als Sodom en Gomorra, waarvan de schanddaad over de hele aarde weerklank vindt en die de harten vergiftigen. Van die zondige steden zijn zelfs geen sporen overgebleven; toch waren hun bewoners geen huichelaars, aangezien zij in het volle daglicht zondigden.
23. Maar deze mensheid van vandaag, die zich in het donker verbergt om zich aan haar hartstochten te kunnen overgeven, en die daarna rechtschapenheid en zuiverheid veinst, zal een strenger oordeel ondergaan dan Sodom.
24. Het is de onheilspellende erfenis van alle voorgaande generaties, wier verslavingen, ondeugden en ziekten in deze tijd hun vruchten afwerpen. Het is de boom van het kwaad die in het hart van de mensen is gegroeid — een boom die door zonden vruchtbaar is gemaakt en wiens vruchten de vrouw en de man blijven verleiden en van dag tot dag nieuwe harten ten val brengen.
25. In de schaduw van deze boom liggen mannen en vrouwen zonder de kracht om zich van zijn invloed te bevrijden. Daar zijn verwoeste deugden, bezoedelde menselijke waardigheid en vele verminkte levens achtergebleven.
26. Niet alleen de volwassenen worden aangetrokken door de genoegens van de wereld en het vlees en jagen die na; ook de jongeren en zelfs de kinderen, tot allen is het gif doorgedrongen dat zich in de loop van de tijd heeft opgehoopt; en zij die aan de onheilspellende invloed van het Kwaad hebben kunnen ontsnappen — wat doen zij voor hen die zijn afgedwaald? Zij veroordelen hen, verdoemen hen en verontwaardigen zich over hun daden. Weinigen zijn er die bidden voor hen die van het pad zijn afgedwaald , en nog minder zijn er die een deel van hun leven besteden aan het bestrijden van het kwaad.
27. Voorwaar, Ik zeg u, Mijn Rijk zal niet onder de mensen worden opgericht zolang de boom van het Kwaad nog leeft. Deze macht moet worden vernietigd; daarvoor is het noodzakelijk het zwaard van liefde en gerechtigheid te bezitten — het enige waartegen de zonde geen weerstand kan bieden. Begrijp dat niet veroordelingen of straffen, maar liefde, vergeving en barmhartigheid de kern van mijn leer zullen zijn, het licht dat jullie paden verlicht, en de leer die de mensheid verlossing brengt. (108, 10-14)
28. Jullie materialisme heeft het Eden, dat Ik aan de mens toevertrouwde, in een hel veranderd.
29. Het leven dat de mensen leiden is verkeerd, hun genoegens, hun macht en hun rijkdom zijn verkeerd, hun geleerdheid en hun wetenschap zijn verkeerd.
30. Rijken en armen, jullie zijn allemaal bezig met geld, waarvan het bezit bedrieglijk is. Jullie maken je zorgen over pijn en ziekte en schrikken bij de gedachte aan de dood. De enen vrezen te verliezen wat ze hebben, en de anderen verlangen ernaar te krijgen wat ze nooit hebben bezeten. Sommigen hebben alles in overvloed, terwijl anderen alles ontberen. Maar al deze inspanningen, hartstochten, behoeften en ambitieuze doelen hebben alleen betrekking op het materiële leven, de honger van het lichaam, de lagere hartstochten, de menselijke verlangens, alsof de mens inderdaad geen ziel bezit.
31. De wereld en de materie hebben de ziel tijdelijk overwonnen, hebben haar geleidelijk weer in slavernij gebracht en uiteindelijk haar missie in het menselijk leven tenietgedaan. Waarom merken jullie niet geleidelijk aan zelf dat die honger, die ellende, die pijn en die angst die jullie leven onderdrukken, niets anders zijn dan de getrouwe weerspiegeling van de ellende en de pijn van jullie zielen? (272, 29-32)
32. De wereld heeft Mijn Woord nodig, de volkeren en naties hebben Mijn liefdesleer nodig. De heerser, de wetenschapper, de rechter, de zielzorger, de leraar — zij allen hebben het licht van Mijn waarheid nodig, en juist daarom ben Ik in deze tijd gekomen om de mens in zijn ziel, zijn hart en zijn verstand te verlichten. (274, 14)
33. Uw planeet is nog steeds geen plaats van liefde, deugd of vrede. Ik zend zuivere zielen naar uw wereld, en u geeft ze Mij onzuiver terug, omdat het leven van de mensen doordrongen is van zonde en verdorvenheid.
34. Ik zie de deugden als kleine, verspreide lichtjes tussen de zielen die worden geteisterd door de stormen van egoïsme, wraakzucht en haat. Dat is de vrucht die de mensheid Mij aanbiedt. (318, 33-34)
De omgekeerde wereld van een onvolwassen mensheid
35. Jullie hebben heersers in wier harten de gerechtigheid en edelmoedigheid ontbreken om hun volk te regeren, omdat zij het armzalige doel van macht en rijkdom najagen — mensen die beweren dat zij mijn vertegenwoordigers zijn, en die zelfs de liefde voor hun naasten niet kennen — artsen die het wezenlijke van hun missie niet kennen, namelijk barmhartigheid — en rechters die gerechtigheid verwarren met wraak en de wet misbruiken voor verderfelijke doeleinden.
36. Niemand die kromme wegen bewandelt en zijn blik afwendt van dat licht dat hij in zich heeft als baken van zijn geweten, heeft enig idee van het oordeel dat hij zichzelf bereidt.
37. Er zijn ook mensen die taken hebben toegeëigend die hun niet toekomen, en die met hun dwalingen het bewijs leveren dat zij absoluut niet over de vereiste bekwaamheden beschikken om de taak uit te voeren die zij uit eigen beweging op zich hebben genomen.
38. Evenzo kunt u dienaren van God aantreffen die dat niet zijn, omdat zij daar niet voor gezonden zijn — mensen die volkeren leiden en die niet eens in staat zijn hun eigen stappen te sturen — leraren die de gave om te onderwijzen missen en die, in plaats van licht te verspreiden, de geest in verwarring brengen — artsen in wier hart geen gevoel van medeleven is opgekomen bij het zien van andermans pijn en die niet weten dat degene die deze gave werkelijk bezit, een apostel van Christus is.
39. Al Mijn grondbeginselen zijn door de mensen geschonden, maar nu is het uur gekomen waarin al hun werken zullen worden geoordeeld. Dit is Mijn oordeel, aangezien het Mij toekomt dit te voltrekken. Daarom zeg Ik u: waak en vervul Mijn geboden van liefde en vergeving. (105, 16-19)
40. Kijk naar deze wereld — trots, uitdagend en verwaand over alle menselijke werken waarmee zij de generaties van deze eeuw in verbazing brengen. In hun meerderheid geloven zij niet in het geestelijke, noch hebben zij er liefde voor. Daarom bidden zij niet, noch volgen zij Mijn wet. Toch zijn zij tevreden en trots dat zij een wereld vol wonderen kunnen laten zien, die zij met behulp van hun wetenschap hebben geschapen.
41. Maar deze verbazingwekkende wereld van de mensen, die zij gedurende eeuwen van wetenschap, strijd, oorlogen en tranen hebben opgebouwd, zullen zij nog met hun eigen handen en wapens vernietigen. Het moment nadert reeds waarop de mensheid zich bewust wordt van de onhoudbaarheid en broosheid van haar werken, waaraan de liefde, de gerechtigheid en het oprechte verlangen naar vervolmaking ontbraken.
42. Al spoedig zult gij ervaren dat gij zonder God niets zijt, dat gij slechts van Mij de kracht, het leven en de intelligentie kunt ontvangen om een harmonieus bestaan te scheppen tussen de geest en het menselijke deel van de mens. (282, 9-11)
43. De mensen spreken over vervlogen tijden, over de oudheid, over lange eeuwen en eindeloos lange tijdperken, maar Ik zie jullie nog steeds klein. Ik zie dat jullie geestelijk zeer weinig gerijpt zijn. In Mijn ogen bevindt jullie wereld zich nog steeds in haar kindertijd, ook al lijkt het voor jullie alsof jullie tot volwassenheid zijn gekomen.
44. Nee, mensheid, zolang het niet de ziel is die die bewijzen van rijpheid, opwaartse ontwikkeling, vervolmaking en vooruitgang op de verschillende gebieden van jullie leven geeft, zullen jullie Mij onvermijdelijk menselijke werken presenteren die slechts schijnbaar groot zijn, maar door het gebrek aan liefde geen morele inhoud hebben en niet van blijvende aard zijn. (325, 62-63)
45. Nu is er een beslissende tijd voor de zielen, waarlijk een tijd van strijd. Alles is twist en strijd. Deze oorlog vindt plaats in het hart van ieder mens, in de schoot van de gezinnen, in het binnenste van alle instellingen, in alle volkeren, in alle rassen.
46. Niet alleen op het aardse vlak, ook in de Geestelijke Wereld wordt gestreden. Het is de Grote Strijd, die in symbolische vorm door de profeten van andere tijden werd aanschouwd en die ook in de visioenen van de profeten of zieners van deze tijd wordt waargenomen.
47. Maar deze strijd, die wordt gevoerd en die alles doet schudden, wordt door de mensheid niet begrepen, hoewel zij juist deel uitmaakt van en getuige is van deze strijd.
48. De gang van de mensheid is tegenwoordig versneld — maar waar gaat zij heen? Waar gaat de mens in zo'n haast heen? Vindt hij op deze duizelingwekkende weg misschien zijn geluk, bereikt hij de verlangde vrede, het heerlijke leven dat elk hart egoïstisch wenst?
49. Ik zeg u dat wat de mens met zijn gehaastheid in werkelijkheid bereikt, totale uitputting is. De geestelijke ziel en het hart van de mens gaan de levensmoeheid en de uitputting tegemoet, en deze afgrond is door de mens zelf geschapen.
50. In deze afgrond zal hij storten, en in deze totale uitputting, in deze chaos van haatgevoelens, van genoegens, van onbevredigde machtsdriften, van zonde en overspel, van schending van de geestelijke en menselijke wetten, zal zijn ziel een schijnbare 'dood' ondergaan, zijn hart een tijdelijke 'dood'.
51. Maar Ik zal ervoor zorgen dat de mens zich uit deze 'dood' tot het leven verheft. Ik zal ervoor zorgen dat hij zijn opstanding beleeft en in dat nieuwe leven strijdt voor de wedergeboorte van alle idealen, voor de heropleving van alle principes en alle deugden, die eigenschappen en erfgoed zijn van de geestelijke ziel, die haar oorsprong is. Want uit Mij is de geestelijke ziel voortgekomen , van Mij ontving zij leven, uit mijn volmaaktheid dronk zij, door mijn genade werd zij verzadigd. (360, 6-8)

