nl-Hoofdstuk 65 – Gelijkenissen, troost en belofte

11-03-2024

Gelijknis van de slechte rentmeesters

1. In hun verlangen naar barmhartigheid naderde een menigte van hongerigen, zieken en naakten een huis.

2. De rentmeesters van het huis maakten zich onophoudelijk klaar om de voorbijgangers aan hun tafel te ontvangen.

3. De landeigenaar, eigenaar en heer van die landerijen, kwam erbij om het feestmaal voor te zitten.

4. De tijd verstreek en de behoeftigen vonden in het huis altijd voedsel en onderdak.

5. Op een dag zag die heer dat het water op de tafel troebel was, dat het eten niet gezond en smakelijk was en dat de tafelkleden bevlekt waren.

6. Toen riep hij degenen die belast waren met het dekken van de tafel bij zich en zei tegen hen: "Hebben jullie de tafelkleden gezien en het eten geproefd en van het water gedronken?"

7. "Ja, heer," antwoordden zij.

8. "Laat dan, voordat jullie deze hongerigen te eten geven, eerst jullie kinderen ervan eten, en als zij het eten lekker vinden, geef het dan aan deze gasten."

9. De kinderen namen van het brood, het fruit en wat er op de tafel stond; maar de smaak was weerzinwekkend, en er ontstond ontevredenheid en opschudding, en zij klaagden heftig.

10. Toen zei de landheer tegen degenen die nog stonden te wachten: "Kom onder een boom, want ik zal jullie de vruchten van mijn tuin en smakelijke gerechten aanbieden."

11. Maar tegen de bedienden zei hij dit: "Reinig het bezoedelde, verwijder de slechte smaak van de lippen van degenen die jullie hebben teleurgesteld. Ik heb geen behagen in jullie, want ik heb jullie opgedragen alle hongerigen en dorstigen te ontvangen om hen de beste spijzen en zuiver water aan te bieden, en jullie hebben het niet opgevolgd. Jullie werk is mij niet welgevallig."

12. De heer van die landerijen bereidde nu zelf het feestmaal voor: het brood was voedzaam, het fruit gezond en rijp, het water vers en verkwikkend. Toen nodigde hij degenen uit die erop wachtten – bedelaars, zieken en melaatsen –, en allen werden verzadigd, en hun vreugde was groot. Al snel waren ze gezond en vrij van lijden, en ze besloten op het landgoed te blijven.

13. Ze begonnen de velden te bewerken, werden landarbeiders, maar ze waren zwak en wisten de instructies van die heer niet op te volgen. Ze mengden verschillende soorten zaden door elkaar, en de oogst raakte in verval, de tarwe werd verstikt door het onkruid.

14. Toen de oogsttijd aanbrak, kwam de landheer en sprak tot hen: "Wat doen jullie daar, terwijl ik jullie toch alleen het beheer van het huis heb toevertrouwd om de gasten te ontvangen? Het zaad dat jullie hebben uitgezaaid is niet goed; anderen zijn bestemd voor het bewerken van de velden. Ga en zuiver het land van distels en onkruid en beheer dan weer het huis. De bron is opgedroogd, het brood geeft geen kracht en de vruchten zijn bitter. Doe met de voorbijgangers wat ik met jullie heb gedaan. Als jullie degenen die zich tot jullie wenden hebben gevoed en genezen, als jullie de pijn van jullie naasten hebben weggenomen, dan zal ik jullie in mijn huis laten rusten." (196, 47-49)

Gelijknis van de tocht door de woestijn naar de Grote Stad

15. Twee reizigers trokken met trage passen door een uitgestrekte woestijn; hun voeten deden pijn door het hete zand. Ze waren op weg naar een stad in de verte, en alleen de hoop hun bestemming te bereiken gaf hen kracht op hun zware tocht; want het brood en het water raakten langzaam op. De jongste van de twee begon te bezwijken en vroeg zijn metgezel de reis alleen voort te zetten, omdat zijn krachten hem in de steek lieten.

16. De bejaarde reiziger probeerde de jongeman nieuwe moed in te spreken door hem te zeggen dat ze misschien spoedig op een oase zouden stuiten, waar ze hun verloren krachten zouden herwinnen; maar die kon geen nieuwe moed opbrengen.

17. De oudere was niet van plan hem in die woestenij in de steek te laten, en hoewel ook hij moe was, tilde hij de vermoeide metgezel op zijn rug en zette de tocht moeizaam voort.

18. Nadat de jongeman was uitgerust en hij de moeite had overwogen die hij degene bezorgde die hem op zijn schouders droeg, maakte hij zich los van zijn nek, nam hem bij de hand, en zo vervolgden ze hun weg.

19. Een onmetelijk geloof bezielde het hart van de bejaarde zwerver, wat hem de kracht gaf zijn vermoeidheid te overwinnen.

20. Zoals hij had voorzien, doemde er aan de horizon een oase op, in de schaduw waarvan de koelte van een bron hen te wachten stond. Uiteindelijk bereikten ze die en dronken van dat verkwikkende water totdat ze hun dorst hadden gelest.

21. Ze vielen in een rustgevende slaap, en toen ze ontwaakten, voelden ze dat de vermoeidheid verdwenen was; ook hadden ze geen honger of dorst meer. Ze voelden vrede in hun hart en de kracht om de stad te bereiken die ze zochten.

22. Eigenlijk wilden ze die plek niet verlaten, maar de reis moest worden voortgezet. Ze vulden hun kruiken met dat kristalheldere en zuivere water en vervolgden hun weg.

23. De bejaarde reiziger, die de steun van de jongeman was geweest, zei: "Laten we het water dat we bij ons dragen slechts met mate gebruiken. Het is mogelijk dat we onderweg enkele pelgrims tegenkomen die, overweldigd door uitputting, uitdrogen of ziek zijn, en dan zal het nodig zijn hen aan te bieden wat we bij ons dragen."

24. De jongeman sprak hem tegen en zei dat het onverstandig zou zijn om iets weg te geven van wat misschien niet eens voor henzelf voldoende zou zijn; dat ze het in zo'n geval konden verkopen voor de prijs die ze wilden, aangezien het hen zoveel moeite had gekost om dat kostbare element te verkrijgen.

25. De oude man was niet tevreden met dit antwoord en antwoordde hem dat als ze vrede in hun ziel wilden hebben, ze het water met de noodlijdenden moesten delen.

26. Morsig zei de jongeman dat hij er de voorkeur aan gaf het water uit zijn kruik alleen op te drinken, voordat hij het zou delen met iemand die ze onderweg zouden tegenkomen.

27. Opnieuw kwam het voorgevoel van de oude man uit, want voor zich zagen ze een karavaan van mannen, vrouwen en kinderen die, verdwaald in de woestijn, op het punt stond ten onder te gaan.

28. Haastig liep de goede oude man naar die mensen toe en gaf hen te drinken. De vermoeiden voelden zich onmiddellijk gesterkt, de zieken openden hun ogen om die reiziger te bedanken, en de kinderen hielden op met huilen van de dorst. De karavaan stond op en vervolgde haar reis.

29. Er was vrede in het hart van de edelmoedige reiziger, terwijl de ander, toen hij zag dat zijn kruik leeg was, bezorgd tegen zijn metgezel zei dat ze moesten omkeren en de bron moesten zoeken om het water dat ze hadden verbruikt te vervangen.

30. "We mogen niet teruggaan", zei de goede reiziger, "als we vertrouwen hebben, zullen we verderop nieuwe oases tegenkomen."

31. Maar de jongeman twijfelde, was bang en gaf er de voorkeur aan ter plekke afscheid te nemen van zijn metgezel om, verlangend naar de bron, terug te keren. Zij, die lotgenoten waren geweest, gingen uit elkaar. Terwijl de een verder ging op het pad, bezield door het geloof in zijn doel, rende de ander, bij de gedachte dat hij in de woestijn zou kunnen omkomen, met de dwanggedachte van de dood in zijn hart, naar de bron.

32. Uiteindelijk kwam hij hijgend en uitgeput aan. Maar tevreden dronk hij zich vol, vergat de metgezel die hij alleen had laten gaan, en evenzeer de stad waarvan hij had afgezien, en besloot voortaan in de woestijn te leven.

33. Het duurde niet lang of er trok in de buurt een karavaan voorbij, bestaande uit uitgeputte en dorstige mannen en vrouwen. Ze kwamen gretig dichterbij om van het water van die bron te drinken.

34. Maar plotseling zagen ze een man opduiken die hen verbood te drinken en te rusten, tenzij ze hem voor die weldaden betaalden. Het was de jonge zwerver die zich de oase had toegeëigend en zich tot heer van de woestijn had uitgeroepen.

35. Die mensen luisterden bedroefd naar hem, want ze waren arm en konden die kostbare schat, die hun dorst zou lessen, niet kopen. Uiteindelijk deden ze afstand van het weinige dat ze bij zich hadden, kochten een beetje water om de brandende dorst te stillen en vervolgden hun weg.

36. Al snel veranderde die man van heer in koning, want het waren niet altijd armen die daar langskwamen; er waren ook machtigen die een fortuin konden geven voor een glas water.

37. Deze man herinnerde zich de stad aan de andere kant van de woestijn niet meer, en nog minder de broederlijke metgezel die hem op zijn schouders had gedragen en hem had behoed voor de dood in die woestenij.

38. Op een dag zag hij een karavaan aankomen die doelbewust naar de grote stad trok. Maar tot zijn verbazing zag hij dat die mannen, vrouwen en kinderen vol kracht en vreugde voortstapten en daarbij een loflied aanhieven.

39. De man begreep niet wat hij zag, en zijn verbazing werd nog groter toen hij zag dat aan het hoofd van de karavaan degene liep die zijn reisgenoot was geweest.

40. De karavaan hield halt voor de oase, terwijl de twee mannen tegenover elkaar stonden en elkaar verbaasd bekeken. Eindelijk vroeg de oasebewoner aan degene die zijn metgezel was geweest: "Zeg mij, hoe is het mogelijk dat er mensen zijn die deze woestijn doorkruisen zonder dorst te voelen of vermoeidheid te ondervinden?"

41. Hij deed dit omdat hij in zijn binnenste dacht aan wat er van hem zou worden vanaf de dag dat niemand meer zou komen om hem om water of onderdak te vragen.

42. De goede reiziger zei tegen zijn metgezel: "Ik ben bij de grote stad aangekomen, maar niet alleen. Onderweg ontmoette ik zieken, dorstigen, verdwaalden, uitgeputten, en aan hen allen gaf ik nieuwe moed door het geloof dat mij bezielt, en zo kwamen we van oase tot oase op een dag voor de poorten van de grote stad.

43. Daar werd ik voor de Heer van dat rijk geroepen, die mij, toen hij zag dat ik de woestijn kende en medelijden had met de reizigers, de opdracht gaf terug te keren om gids en raadgever te zijn voor de reizigers bij de pijnlijke tocht door de woestijn.

44. En hier zie je mij, terwijl ik net weer een karavaan leid die ik naar de grote stad moet brengen. — En jij? Wat doe jij hier?" vroeg hij aan degene die in de oase was gebleven. — Deze zweeg beschaamd.

45. Toen zei de goede reiziger tegen hem: "Ik weet dat je je deze oase hebt toegeëigend, dat je water verkoopt en geld vraagt voor de schaduw. Deze goederen zijn niet van jou, ze zijn door een goddelijke macht in de woestijn geplaatst, opdat degene die ze nodig zou hebben er gebruik van zou maken.

46. Zie je die mensenmassa's? Zij hebben geen oase nodig, want zij voelen geen dorst en worden niet moe. Het volstaat dat ik hun de boodschap doorgeef die de Heer van de grote stad via mij naar hen zendt, en al gaan zij op weg en vinden bij elke stap nieuwe kracht dankzij het hoge doel dat zij hebben: dat rijk te bereiken.

47. Laat de bron over aan de dorstigen, opdat zij er verfrissing mogen vinden, en opdat zij hun dorst mogen lessen die de ontberingen van de woestijn ondergaan.

48. Je trots en egoïsme hebben je verblind. Maar wat heeft het je opgeleverd, heer van deze kleine oase, als je in deze woestenij leeft en jezelf de mogelijkheid hebt ontnomen om de grote stad te leren kennen, waar we samen naartoe gingen? Ben je dat hoge doel al vergeten dat we beiden hadden?"

49. Toen die man zwijgend had geluisterd naar degene die een trouwe en onbaatzuchtige metgezel was geweest, barstte hij in tranen uit, omdat hij berouw voelde over zijn misstappen. Hij rukte de valse praalgewaden van zijn lichaam en zocht het vertrekpunt op, dat zich bevond waar de woestijn begon, om de weg te volgen die hem naar de grote stad zou leiden. Maar nu ging hij zijn weg, verlicht door een nieuw licht, dat van het geloof en de liefde voor zijn medemensen. Einde van de gelijkenis

50. Ik ben de Heer van de Grote Stad en Elias de Oude Man uit mijn gelijkenis. Hij is "de stem van hem die in de woestijn roept", hij is degene die zich opnieuw onder jullie openbaart ter vervulling van de openbaring die Ik jullie gaf bij de transfiguratie op de berg Tabor. Hij is het die jullie in de "Derde Tijd" naar de Grote Stad leidt, waar Ik jullie verwacht om jullie de eeuwige beloning van mijn liefde te geven.

51. Volg Elias, o geliefd volk, en alles zal veranderen in je leven, in je godsverering en je idealen; alles zal worden getransformeerd.

52. Hebben jullie geloofd dat jullie onvolmaakte godsdienstbeoefening eeuwig zou blijven bestaan? — Nee, mijn discipelen. Morgen, wanneer jullie geest de Grote Stad aan de horizon aanschouwt, zal hij net als zijn Heer zeggen: "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld." (28, 18-40)

De gelijkenis van de grootmoedigheid van een koning

53. Er was eens een koning die, omringd door zijn onderdanen, een overwinning vierde die hij had behaald op een opstandig volk dat tot vazal was geworden.

54. De koning en de zijnen zongen een overwinningslied. Toen sprak de koning tot zijn volk: "De kracht van mijn arm heeft gezegevierd en mijn rijk doen groeien; maar ik zal de verslagenen evenzeer liefhebben als jullie, ik zal hun akkers op mijn landgoederen geven, opdat zij de wijnstok mogen verbouwen, en het is mijn wil dat jullie hen evenzeer liefhebben als ik hen liefheb."

55. De tijd verstreek, en onder dat volk, dat door de liefde en de gerechtigheid van die koning was gewonnen, stond een man op die in opstand kwam tegen zijn heer en hem in zijn slaap probeerde te doden, waarbij hij hem echter slechts verwondde.

56. Gezien zijn misdaad vluchtte die man vol angst om zich in de donkerste bossen te verbergen, terwijl de koning de ondankbaarheid en de afwezigheid van zijn onderdaan betreurde, want zijn hart hield veel van hem.

57. Die man werd tijdens zijn vlucht gevangengenomen door een volk dat vijandig stond tegenover de koning, en toen hij werd beschuldigd een onderdaan te zijn van iemand wiens heerschappij zij niet erkenden, riep hij hen geschrokken uit volle borst toe dat hij een vluchteling was, omdat hij de koning zojuist had gedood. Maar men geloofde hem niet en veroordeelde hem tot de dood op de brandstapel, nadat hij eerst gemarteld was.

58. Toen hij al bloedde en men op het punt stond hem in het vuur te werpen, gebeurde het dat de koning met zijn dienaren, die op zoek waren naar de opstandeling, daar langs kwam, en toen hij zag wat hier gebeurde, hief die heerser zijn arm op en sprak tot de handlangers: "Wat doen jullie daar, opstandig volk?" En bij het geluid van de majestueuze en bevelende stem van de koning wierpen de rebellen zich voor hem neer.

59. De ondankbare onderdaan, die nog steeds in ketenen bij het vuur lag en slechts wachtte op de uitvoering van zijn vonnis, was verbijsterd en ontzet toen hij zag dat de koning niet dood was, en dat hij stap voor stap naar hem toe kwam en hem losmaakte.

60. Hij leidde hem weg van het vuur en verzorgde zijn wonden. Vervolgens gaf hij hem wijn te drinken, kleedde hem in een nieuw wit gewaad, en nadat hij hem op het voorhoofd had gekust, sprak hij tot hem: "Mijn onderdaan, waarom ben je voor mij gevlucht? Waarom heb je mij gekwetst? Geef me geen antwoord met woorden, ik wil alleen dat je weet dat ik van je houd, en ik zeg je nu: kom en volg mij."

61. Het volk dat getuige was van deze taferelen van barmhartigheid riep verbaasd en innerlijk veranderd: 'Hosanna, Hosanna!' Het bekende zich als gehoorzame onderdanen van die Koning en ontving alleen maar weldaden van zijn Heer, en de onderdaan, die eens in opstand was gekomen, nam — overweldigd door zoveel liefde van zijn Koning — het voornemen om die bewijzen van grenzeloze genegenheid te vergelden door zijn Heer voor altijd te liefhebben en te vereren, overweldigd door diens zo volmaakte handelen.

Einde van de gelijkenis

62. Zie, volk, hoe duidelijk Mijn Woord is! Maar de mensen strijden tegen Mij en verliezen hun vriendschap met Mij.

63. Welk kwaad heb Ik de mensen aangedaan? Welk nadeel brengt Mijn leer en Mijn wet hen? 64. Weet: hoe vaak jullie Mij ook kwetsen, elke keer zal jullie vergeven worden. Maar dan zijn jullie ook verplicht jullie vijanden te vergeven, wanneer zij jullie beledigen.

65. Ik houd van jullie, en als jullie een stap van Mij verwijderen, doe Ik dezelfde stap om Mij tot jullie te naderen. Als jullie de poorten van jullie tempel voor Mij sluiten, zal Ik erop kloppen totdat jullie openen en Ik hem kan betreden. (100, 61-70)

Zaligsprekingen en zegeningen

66. Zalig is hij die zijn lijden met geduld draagt, want juist in zijn zachtmoedigheid zal hij de kracht vinden om op zijn ontwikkelingsweg zijn kruis te blijven dragen.

67. Gezegend zij hij die vernedering met nederigheid verdraagt en in staat is hen te vergeven die hem hebben beledigd, want Ik zal hem rechtvaardigen. Maar wee hen die de daden van hun medemensen veroordelen, want zij zullen op hun beurt worden veroordeeld!

68. Gezegend zij hij die het eerste gebod van de wet vervult en Mij meer liefheeft dan al het geschapene.

69. Gezegend zij hij die Mij zijn rechtvaardige of onrechtvaardige zaak laat oordelen. (44, 52-55)

70. Zalig is hij die zich op aarde vernedert, want Ik zal hem vergeven. Zalig is hij die belasterd wordt, want Ik zal zijn onschuld getuigen. Zalig is hij die van Mij getuigt, want Ik zal hem zegenen. En wie miskend wordt vanwege het beoefenen van Mijn leer, die zal Ik erkennen. (8, 30)

71. Zalig zij die vallen en zich weer oprichten, die huilen en Mij zegenen, die, gekwetst door hun eigen broeders, op Mij vertrouwen in het diepst van hun hart. Deze kleinen en bedroefden, bespotten, maar zachtmoedigen en daardoor sterken in de geest zijn in waarheid Mijn discipelen. (22, 30)

72. Zalig is hij die de wil van zijn Heer zegent, zalig is hij die zijn eigen lijden zegent, omdat hij weet dat het zijn smetten zal wegwassen. Want deze geeft zijn schreden houvast om de Geestelijke Berg te beklimmen. (308, 10)

73. Allen verwachten het licht van een nieuwe dag, de dageraad van de vrede, die het begin van een beter tijdperk moet zijn. De onderdrukten verwachten de dag van hun bevrijding, de zieken hopen op een geneesmiddel dat hun gezondheid, kracht en levensvreugde teruggeeft.

74. Gelukkig zij die tot het laatste moment weten te wachten, want wat zij verloren hebben, zal hun met rente worden teruggegeven. Deze verwachting zegen Ik, want zij is een bewijs van geloof in Mij. (286, 59-60)

75. Gelukkig zijn de getrouwen, gezegend zijn zij die standvastig blijven tot het einde van hun beproevingen. Gezegend zijn zij die de kracht die hun door Mijn onderricht wordt geschonken, niet hebben verspild, want zij zullen in de komende tijden van bitterheid de wisselvalligheden van het leven krachtig en vol licht doorstaan. (311, 10)

76. Gezegend zijn zij die Mij op het altaar van de schepping zegenen en de gevolgen van hun fouten nederig weten te aanvaarden, zonder deze aan goddelijke straffen toe te schrijven.

77. Gezegend zijn zij die Mijn wil weten te volgen en hun beproevingen in nederigheid aanvaarden. Zij allen zullen Mij liefhebben. (325, 7-8)

Aanzetten tot opwaartse ontwikkeling

78. Gezegend zijn zij die Mij met nederigheid en geloof smeken om de opstijging van hun ziel, want zij zullen ontvangen wat zij van hun Vader vragen.

79. Gezegend zijn zij die weten te wachten, want mijn barmhartige hulp zal op het juiste moment in hun handen komen.

80. Leer te vragen en ook te wachten — in de wetenschap dat niets aan mijn liefdevolle wil ontgaat. Vertrouw erop dat mijn wil zich in al jullie behoeften en in al jullie beproevingen openbaart. (35, 1-3)

81. Gezegend zijn zij die dromen van een paradijs van vrede en harmonie.

82. Gelukkig zijn zij die de trivialiteiten, de ijdelheden en de hartstochten, die de mens niets goeds brengen en zijn ziel nog minder, hebben veracht en er onverschillig tegenover hebben gestaan.

83. Gezegend zijn zij die de fanatieke cultusrituelen, die tot niets leiden, hebben afgeschaft en oude en dwalende geloofsovertuigingen hebben opgegeven om de absolute, naakte en zuivere waarheid te omarmen.

84. Ik zegen hen die het uiterlijke afwijzen om zich in plaats daarvan over te geven aan spirituele contemplatie, liefde en innerlijke vrede, omdat zij steeds meer beseffen dat de wereld geen vrede schenkt, maar dat jullie die in jezelf kunnen vinden.

85. Gezegend zijn zij onder jullie die niet geschrokken zijn van de waarheid en zich er niet over hebben verontwaardigd, want voorwaar, Ik zeg jullie, het licht zal als een waterval op jullie ziel neerdalen om voor altijd jullie verlangen naar licht te stillen. (263, 2-6)

86. Zalig is hij die Mijn onderrichtingen aanhoort, zich deze eigen maakt en ze volgt, want hij zal weten hoe hij in de wereld moet leven, zal weten hoe hij de wereld moet afsterven en, wanneer zijn uur gekomen is, in de eeuwigheid zal opstaan.

87. Gezegend zij hij die zich verdiept in Mijn Woord, want hij heeft de reden voor de pijn, de zin van het goedmaken en de boetedoening leren begrijpen, en in plaats van te wanhopen of te lasteren, waarmee hij zijn pijn nog zou vergroten, verheft hij zich vol geloof en hoop om te strijden, opdat de last van zijn schulden dagelijks lichter wordt en zijn lijdensbeker minder bitter.

88. Vreugde en vrede zijn eigen aan de gelovigen — aan hen die instemmen met de wil van de Vader. (283, 45-47)

89. Jullie vooruitgang of jullie opwaartse ontwikkeling zal jullie in staat stellen mijn waarheid te ontdekken en mijn goddelijke aanwezigheid waar te nemen — zowel in het geestelijke als in elk van mijn werken. Dan zal Ik jullie zeggen: "Zalig zijn zij die Mij overal kunnen herkennen, want zij zijn het die Mij werkelijk liefhebben. Zalig zij die Mij met de ziel en zelfs met het lichaam kunnen voelen, want zij zijn het die hun hele wezen gevoeligheid hebben gegeven, die zich werkelijk hebben vergeestelijkt." (305, 61-62)

90. Jullie weten dat Ik vanaf Mijn 'Hoge Troon' het heelal in Mijn vrede en Mijn zegeningen huldig.

91. Alles wordt door Mij elk uur, elk ogenblik gezegend.

92. Van Mij komt geen enkele vervloeking of verdoemenis voor mijn kinderen, noch zal die ooit komen. Daarom laat Ik, zonder onderscheid te maken tussen rechtvaardigen en zondaars, Mijn zegen, Mijn kus van liefde en Mijn vrede op allen neerdalen. (319, 49-50)

MIJN VREDE ZIJ MET U