nl-De oproep van God

Oproep aan de mensen van deze tijd:
"Mensen, mensen, sta op, de tijd dringt, en als jullie het niet op deze 'dag' doen, zullen jullie in dit aardse leven niet meer ontwaken. Willen jullie blijven slapen ondanks mijn boodschap? Willen jullie dat de dood van het vlees jullie wekt — met het verterende vuur van het berouw van jullie ziel zonder materie? Wees oprecht, verplaats jullie in de situatie dat jullie je in het geestelijke leven bevinden, in het aangezicht van de waarheid, waar niets jullie materialisme kan verontschuldigen, waar jullie jezelf werkelijk in lompen zien – bevlekt, vuil en verscheurd – die jullie ziel als kleding zal dragen. Voorwaar, Ik zeg jullie, daar zult jullie bij het zien van jullie ellende en in het gevoel van zo'n grote schaamte het onmetelijke verlangen voelen om jullie te reinigen in het water van de diepste berouw, omdat jullie weten dat jullie alleen rein naar het Feest van de Geest kunnen gaan. Kijk voorbij het menselijk egoïsme met al zijn gebreken, die momenteel jullie trots en voldoening zijn, en zeg Mij of jullie de pijn van de mensen hebben meegevoeld, of het gesnik van de vrouwen of het huilen van de kinderen weerklank vinden in jullie harten. Zeg Mij dus: wat zijn jullie voor de mensen geweest? Zijn jullie voor hen leven geweest?" (228, 62-63)
Oproep aan de intellectuelen:
"Komt tot Mij, gij intellectuelen, die de dood beu bent en in het hart teleurgesteld. Komt tot Mij, gij die verward bent en in plaats van lief te hebben, hebt gehaat. Ik zal jullie rust geven en jullie duidelijk maken dat de geest die mijn geboden gehoorzaamt nooit moe wordt. Ik zal jullie inleiden in een wetenschap die de intelligentie nooit in verwarring brengt." (282, 54)
Oproep aan de vermoeiden en belasten:
"Komt tot Mij, gij bedroefde, eenzame en zieke mensen. Gij die de ketenen van de zonde met u meesleept, gij vernederden, die hongert en dorstt naar gerechtigheid, weest bij Mij; in Mijn aanwezigheid zullen vele van uw kwalen verdwijnen, en gij zult voelen dat uw last lichter wordt. Als jullie de goederen van de Geest willen bezitten, zal Ik ze jullie schenken; als jullie Mij om aardse goederen vragen om er goed gebruik van te maken, zal Ik ze jullie eveneens geven, omdat jullie verzoek edel en rechtvaardig is. Dan zult gij goede rentmeesters worden, en Ik zal u de vermeerdering van die goederen schenken, opdat gij uw medemensen daaraan laat delen." (144, 80-81)
Oproep aan het Geestelijke Israël:
"Israël, word de leider van de mensheid, geef haar dit brood des eeuwigen levens, toon haar dit geestwerk, opdat de verschillende religies zich in mijn leer vergeestelijken en op deze wijze het Rijk Gods tot alle mensen komt." (249, 66)
"Luister naar Mij, geliefd Israël! Open jullie geestelijke ogen en aanschouw de heerlijkheid van jullie Vader. Hoor Mijn stem via jullie geweten, luister met jullie geestelijke oren naar de hemelse melodieën, opdat jullie hart en geest zich verheugen, opdat jullie vrede voelen; want Ik ben de Vrede en nodig jullie uit om daarin te leven. Ik openbaar jullie de liefde die Ik te allen tijden voor de mensheid heb gevoeld — de reden waarom Jezus in de 'Tweede Tijd' Zijn kostbaarste bloed heeft vergoten om jullie van de zonde te verlossen, jullie de liefde te leren en de ware leer in jullie geest en hart te prenten." (283, 71)
"Richt uw blik op Mij, wanneer u de weg kwijt bent; wees vandaag bij Mij. Richt uw gedachten op Mij en spreek met Mij, zoals een kind met zijn vader spreekt, zoals men vol vertrouwen met een vriend spreekt." (280, 31)
"Verander onder mijn leiding, voel je als nieuwe mensen, beoefen mijn deugden, dan zal het in je ziel steeds lichter worden, en Christus zal zich op je weg openbaren." (228, 60)
"Volk, ga naar de mensen toe, spreek met hen zoals Christus tot jullie sprak — met hetzelfde medeleven, met dezelfde vastberadenheid en hoop. Laat hen inzien dat er wegen van opwaartse ontwikkeling zijn die grotere voldoening schenken dan die welke de materiële goederen bieden. Laat hen inzien dat er een geloof bestaat dat laat geloven en hopen voorbij het zichtbare en voelbare. Zeg hen dat hun ziel eeuwig zal leven en dat zij zich daarom moeten voorbereiden om deel te kunnen hebben aan die eeuwige gelukzaligheid." (359, 94-95)
EINDE

